Gebruikerslogin

Psyche & Geloof 22, 2011 - 3

Beschikbaar
Titel: ‘Wij construeren niet, maar wij beleven’ Gerardus van der Leeuw in zijn betekenis voor de godsdienstpsychologie (143-152)
Auteur(s): Westerink, H.
In dit artikel wordt de godsdienstfenomenologie van Gerardus van der Leeuw in zijn betekenis voor de Nederlandse godsdienstpsychologie besproken. Daarbij wordt ingegaan op twee centrale aspecten van zijn werk, namelijk de structuurpsychologische methode van de fenomenologie en de innerlijke houding van de fenomenoloog, en zijn denken over mystieke participatie en primitieve mentaliteit. Vervolgens wordt aangetoond dat het projectiedebat in de jaren ’50 en ’60 als centraal debat in de godsdienstpsychologie bepaald wordt door posities contra (F. Sierksma) en pro (H. Fortmann) Van der Leeuw. Ten slotte wordt aangegeven dat dit debat blijvende sporen heeft nagelaten in de godsdienstpsychologie.
‘We do not construct, but we experience’. The significance of Gerardus van der Leeuw’s phenomenology of religion for the psychology of religion. In this article Gerardus van der Leeuw’s phenomenology of religion in its meaning for the Dutch psychology of religion is discussed. Two central aspects of his work are elaborated: the structuralpsychological method of phenomenology and the inner attitude of the phenomenologist, and his thought on mystic participation and primitive mentality. It is argued that the projection debate in the 1950s and 60s as central debate in the psychology of religion can be seen as a debate between positions contra (F. Sierksma) and pro (H. Fortmann) Van der Leeuw. Finally, the author argues that this debate had a lasting impact on the psychology of religion.
Van der Leeuw, structuurpsychologie, participatie, projectie, beleving,
Titel: Het gebed als stelregel van het geloof (153-162)
Auteur(s): Brümmer, V.
In dit artikel beargumenteert de auteur dat geloof niet moet worden begrepen als het voor waar houden van beweringen. Geloof is eerder een manier waarop gelovigen hun leven en ervaring interpreteren in het licht van de metaforen en verhalen die aan hen overgeleverd zijn in hun religieuze traditie en als een levensvorm in overeenstemming met deze interpretatie. In theïstische tradities als het christendom betekent dit dat geloof een levensvorm in liefdevolle gemeenschap met God is en dat het gebed het taalspel is waarin deze levensvorm uitgedrukt wordt. Volgens Ludwig Wittgenstein worden taalspelen en de levensvormen die zij uitdrukken geconstitueerd door onuitgesproken veronderstellingen ten aanzien van de werkelijkheid. Zo wordt het taalspel van het gebed geconstitueerd door onuitgesproken veronderstellingen over het bestaan en de aard van God en van de soort relatie die gelovigen met God hebben. Participatie in het taalspel vereist dus dat gelovigen deze veronderstellingen voor waar houden. Het gebed en een leven in gemeenschap met God worden logisch onmogelijk indien wij de veronderstelling zouden verwerpen dat God bestaat als een persoonlijk wezen en dat wij in een persoonlijke relatie met God kunnen leven. Op deze manier is het gebed een stelregel die bepaalt welke veronderstellingen een gelovige voor waar moet houden. Ten slotte wordt dit geïllustreerd met verwijzing naar verschillende vormen van mystiek.
Prayer as the rule of faith. This paper argues that faith should not be understood as propositional belief but as a way in which religious believers interpret their lives and experience in terms of the metaphors and narratives handed down to them in a religious tradition and as a way of life in accordance with this interpretation. In theistic traditions like Christianity this means that faith is a form of life in loving fellowship with God and that prayer is the language game in which this form of life is expressed. According to Ludwig Wittgenstein language games and the forms of life they express are constituted by tacit presuppositions about reality. In this way the language game of prayer is constituted by tacit presuppositions about the nature of God and of the kind of relationship believers have with God. Participating in this language game therefore requires that believers should hold these presuppositions to be true. Thus prayer and a life of fellowship with God become logically impossible if we were to reject the presupposition that God exists as a personal being and that we can live in a personal relationship with God. In this way prayer is the rule of faith determining what religious believes are required to believe. In the final section that is illustrated with reference to different forms of mysticism.
gebed, de aard van het geloof, de stelregel van het geloof, mystiek,
Titel: Symbolen voor kracht. De bijdrage van beeldende werkvormen aan posttraumatische groei bij in hun jeugd misbruikte mannen. (119-130)
Auteur(s): Baljon, M.C.L., Ganzevoort, R.R.,
Er is relatief weinig bekend over de behandeling van in hun jeugd misbruikte mannen. Deze bijdrage is gebaseerd op de schaarse literatuur en eigen klinische ervaringen met de doelgroep. We bespreken het spanningsveld tussen traditionele mannelijkheidsbeelden en slachtofferschap. Inspiratie voor behandeling wordt gevonden in de literatuur over enerzijds de seksespecifieke hulpverlening aan misbruikte vrouwen en anderzijds die over posttraumatische groei. Dit laatste brengt ons bij existentiële aspecten van therapie gericht op herstel na trauma. Beeldende werkvormen en religie vertegenwoordigen in zichzelf wijzen van verhouden en verbinden die haaks staan op traditionele mannelijkheidsbeelden en op de gevolgen van seksueel misbruik. We laten aan de hand van casuïstiek zien hoe beeldende werkvormen kunnen bijdragen aan posttraumatische transformatie en aan een herdefinitie van mannelijkheid.
Relatively little is known about the treatment of males abused in their childhood. This paper is based on the scarce literature and our own clinical experience with these clients. We discuss the tension between traditional masculinity and victimization. Inspiration for therapy is found in the literature on both gender specific treatment of abused women and on post traumatic growth. This last brings us to existential aspects of therapy focused on recovery after trauma. Art and spirituality represent ways to connect and relate that conflict with traditional masculinity and the effects of sexual abuse. We show that spirituality and art therapy can contribute to post traumatic transformation and a redefinition of masculinity.
misbruikte mannen, religie, creatieve therapie, posttraumatische groei,
Titel: De spiritualiteit van de cliënt in het perspectief van de therapie. Ideaaltypische classificatieschaal en aanzet tot methodiek. (131-142)
Auteur(s): Roukema-Koning, B.
Dit artikel beschrijft een methode voor de integratie van de religiositeit van psychotherapiecliënten in hun behandeling. De kern ervan bestaat uit het exploreren en consequent monitoren van de causale, modulerende dan wel neutrale effecten van godsdienstigheid op symptomen. Deze laatste term doelt specifiek op de psychische dysfuncties welke formeel zijn gediagnosticeerd met behulp van DSM IV (of een ander diagnostisch systeem). De auteur beschrijft drie hoofdgroepen van bedoelde invloeden van religiositeit op symptomen: ongunstige, neutrale of gunstige. Een onderverdeling binnen die hoofdgroepen resulteert in een matrix met elf varianten. Van elk wordt een kort klinisch voorbeeld gegeven. Een uitgebreide casusbeschrijving maakt duidelijk hoe de methodiek er in de praktijk uit kan zien. Het monitoren van interacties tussen godsdienstigheid en symptomen biedt in een therapie met religieuze cliënten verschillende voordelen. Ten eerste ontstaat organisch ruimte voor explorerend contact over de geloofsbeleving van de cliënt, zowel aansluitend bij de behoeften van de cliënt als ten dienste van het therapeutische werk. Ook wordt de structurele integratie van godsdienst en psychotherapie erdoor bevorderd, zodat religieuze en psychologische groei kunnen samengaan. Op langere termijn zal het werken ermee leiden tot een unieke deskundigheid wat betreft het therapeutisch verantwoord werken met de veelzijdige invloeden van godsdienstigheid op klinische beelden.
Working with the dynamic effects of spirituality on the symptoms of psychotherapy-clients. A scale for classification as a tool in integrative treatment. This article demonstrates a strategy to integrate the religiosity of psychotherapy-clients in the overall treatment. It focuses on exploring and monitoring which different aspects of the religiosity of psychotherapy-clients exercise influence on their symptoms. This latter term is to be conceived narrowly, denotating specifically those characteristics which are included in or implied by the client’s formal diagnosis within DSM IV (or any other formal psycho-diagnostic system). Three main classes of possible influences of religiosity on psychological dysfunction are identified. These are labeled as either detrimental, or neutral, or beneficial. As some subtypes have been recognized too, a resulting formal matrix contains eleven possible types. Of each of these a brief but realistic clinical example is listed. An elaborated case study illuminates the method and its fruits. The author argues that a strategy of consequently including these elements in the treatment of religious clients will have several advantages. It offers space for a deliberate exploration of the religiosity of clients, while the therapist at the same time doesn’t need to compromise with a professional approach. Also a practice of organically and structurally integrating religion and psychotherapy is being served; religious and psychological growth will become meaningfully interconnected. On the long term an unique type of therapeutic expertise will be generated, which certainly will be recognized as valuable by the larger community of mental health care professionals in general.
integratie, godsdienst, psychotherapie, dimensies van religiositeit, DSM-IV TR,